Is de NAM robuust?

Donderdagmiddag 2 februari 2018 was een intensieve middag in Den Haag, als je in en bij de vergadering van de commissie Economische zaken en Klimaat zat. De commissieleden spraken met de vertegenwoordigers van de NAM en moedermaatschappijen Shell en Exxon Mobile. Onderwerp was de schadeloosstellingen aan de mensen uit Groningen en hun veiligheid. In de sessie kwamen drie vragen sterk naar voren:

  1. Waarom de hoofdelijke aansprakelijkheid van Shell voor de NAM ingetrokken (“403”).
  2. Is de NAM sterk genoeg om de schade te betalen?
  3. Er moet vandaag een garantie op papier.

In dit blog ga ik met name in op vraag 2 om helderheid te geven zodat u een idee heeft wat eigenlijk aan de orde is. U kunt daaruit ook afleiden dat veel belangen in het geding zijn bij het proces van schadeloosstelling en zekeren van de veiligheid van de mensen in Groningen op een goede manier beginnen, laat staan tot een goed einde komen.

Robuustheid is lucht.

De NAM stelt in hun openingsstatement dat zij robuust is en daarmee suggereert de directie dat NAM gezond is, een stootje kan hebben. Het bijzondere aan het woord robuust is dat wij het woord goed kennen uit het dagelijks gebruik, maar in de economische wetenschap of financiën niet gedefinieerd is. Er bestaat niet zo iets als “wanneer een bedrijf robuust is bestaat het zeker nog zoveel jaar.” of “Een robuust bedrijf kan zoveel extra kosten hebben dan normaal zonder dat het failliet gaat.” Robuust is als term dus lucht.

Het was een van de vertegenwoordigers niet ontgaan dat met een eigen vermogen van 4% van het balanstotaal de NAM niet kon worden gezien als robuust. Ergens heeft men gehoord dat het eigen vermogen uitgedrukt moet worden in het balanstotaal en dat bij een bepaald (welk?) percentage een bedrijf gezond is. Dat percentage heet solvabiliteitsratio en in de werkelijkheid is de hoogte van dat percentage onbepaald en zo ook hier. Hoe dat zit zal ik in dit blog laten zien.

De jaarrekening van de NAM

Halverwege vorig jaar publiceerde de NAM voor het eerst haar jaarcijfers. Die publicatie bestaat uit een jaarrekening met toelichting. Helaas ontbreken vergelijkende cijfers over de afgelopen 5 jaar. Dat beperkt de analyse van de recente geschiedenis. Je kunt dan niet zeggen hoe de NAM in 2016 presteerde, want daarvoor heb je een vergelijking nodig. Ondanks een resultaat (winst) van € 526 miljoen. Het lijkt veel geld, maar alles is relatief.

In mijn trainingen leer ik cursisten om het bedrijf achter de cijfers te zien. De jaarrekening van de NAM is illustratief voor het kunnen zien van de werking van de onderneming: De balans wordt grotendeels bepaald door de investeringen in gasvelden. Alvorens gasvelden kunnen worden geëxploiteerd moeten er onderzoek plaats vinden en installaties worden gebouwd. Deze staan als activa vermeld (€ 3 miljard). Is een gasveld leeg dan zijn er de kosten van de ontmanteling, waarvoor een voorziening is getroffen (€ 3,3 miljard).

Wat niet op de balans staat is de hoeveelheid gas die nog gewonnen moet worden. Niet gewonnen gas kan nog niet worden gezien als verworven, omdat het niet 100% zeker is dat dat gas gewonnen kan worden. Het zit nog in de grond en daarmee s niet zeker dat het ook ter beschikking van de handel komt. Het gevolg is dat het nog te winnen gas er wel is maar je ziet de waarde ervan niet op de balans. Zou die waarde wel worden opgenomen dan zouden de bezittingen (activa) toenemen en ook het eigen vermogen van de NAM. Dan stijgt ook de solvabiliteitsratio van 4%.

De winst en verliesrekening laat nu zien wat er gebeurt als het gas wordt gewonnen. Het wordt opgepompt, waarvoor kosten worden gemaakt, zoals bijvoorbeeld, ‘lonen en salarissen’ en ‘kosten uitbesteed werk’. Het opgepompte gas wordt gedeeltelijk opgeslagen als voorraad (gerealiseerde voorraad, wel op de balans) in bijvoorbeeld Norg en de rest wordt verkocht aan distributeurs van gas, onder andere Gasterra, die het gas levert aan de industrie. Dit vind je terug als omzet (€ 3,4 miljard).

Uit die omzet worden de genoemde investeringen terugverdiend, wat je afschrijvingen noemt (€ 467 miljoen). Daarnaast worden er heffingen betaald aan de Nederlandse Staat (€ 1,2 miljard). Dat is dus een deel van de aardgasopbrengsten van Nederland.

Als de kosten van de omzet aftrekt houd je winst over en dat is in het geval van de NAM in 2016 een bedrag van € 526 miljoen. Een bedrijf heeft de keuze om die winst toe te voegen aan het eigen vermogen of om deze uit te keren aan de aandeelhouders. De beslissing is aan de aandeelhouders. In dit geval hebben Shell en Exxon besloten € 496 miljoen uit te laten keren als dividend. De toevoeging aan het eigen vermogen is dan dus maar € 30 miljoen. Zou er geen dividend zijn uitgekeerd dan zou het eigen vermogen gegroeid zijn met het bedrag van de winst. Het zou daarmee gekomen zijn op een bedrag van € 197 plus € 496 miljoen = € 694 miljoen.

In de commissie was er een suggestie dat de NAM leeggehaald werd, zodat men het failliet kon laten gaan. Dat lijkt niet het geval: De winst van de NAM is veel groter dan het eigen vermogen en men zou kunnen aannemen dat het beleid is om de winst als dividend te laten uitkeren aan de aandeelhouders. Om dat goed vast te stellen moet je het verloop van het eigen vermogen van de afgelopen jaren kennen. Hiervoor moeten vergelijkende cijfers uit de jaren ervoor zijn opgesteld.

Los van het uitkeren van dividend is er nog een opmerkelijk punt: het treffen van voorzieningen voor de afbouw van installaties. Dat betreft dus kosten die in de toekomst moeten worden gemaakt en waarvoor nu een potje wordt gemaakt. Die voorziening bedraagt nu € 3,3 miljard. Dat is ook vermogen van de NAM dat kan worden aangewend voor het maken van kosten of dekken van risico’s. Als je het over de sterkte van dit bedrijf hebt moet je die post voorzieningen ook laten meewegen. In een gezinshuishouding wordt ook gespaard voor toekomstige uitgaven. Voorzieningen zijn niet hetzelfde als het eigen vermogen, omdat voorzieningen al een doel hebben en er zelfs een verplichting bestaat tot uitgeven. Maar het bedrijf kan nu laten zien waar zij zelf toe in staat is.

Of het voldoende is kun je niet zeggen op basis van deze jaarrekening; daarvoor is de problematiek van gaswinning (en aardolie) te ingewikkeld voor de niet expert. Daar spelen ook onzekerheden een rol. Onderliggend zijn er bij het bedrijf inschattingen en scenario’s. Het mag echter duidelijk zijn dat er veel meer is dan een (veronderstelde) norm voor het eigen vermogen. Een bedrijf beoordelen doe je in zijn geheel en niet alleen op basis van het eigen vermogen. Bedrijven zijn daarvoor te ingewikkeld.

En de aardbeving gerelateerde schade?

De jaarrekening van de NAM houdt rekening met de aardbeving gerelateerde schade. In tekst gaat men daar op in en ook in de balans en de winst en verliesrekening wordt rekening gehouden met deze kosten. Hoe men dat doet?

Uit de opbrengsten wordt een bedrag opzij gelegd om de schadeloosstellingen (aardbeving gerelateerd) te kunnen betalen. In 2016 was het verloop hiervan als volgt:

Opzij gezet € 106 miljoen en uitgekeerd € 98 miljoen. Het verschil van € 8 miljoen is toegevoegd aan de pot voor toekomstige uit te keren vergoedingen, die nu € 495 miljoen bedraagt. En voor de schade door bodemdaling een zelfde werkwijze: Opzij gezet € 11 en vergoed € 1 miljoen, waarmee de voorziening (pot) op € 168 miljoen is uitgekomen aan het einde van 2016. In totaal is er dus een bedrag voorzien van € 495 plus € 168 miljoen = € 663 miljoen, dat de NAM kan gebruiken voor schadeloosstellingen. Dat geld is ook aanwezig op balansdatum.

Echter dat is wat de NAM inschat als op dit moment (31-12-2016) benodigd voor schadeherstel. De emotie en de actie gaan nu juist over de wijze waarop de NAM de schadeclaims benadert. Wat wel en wat niet vergoed wordt, wat nodig is voor versterking, hoe vastgesteld wordt wat aardbeving gerelateerd is et cetera. De omvang van de schade is niet bekend; de inschatting is onderdeel van het proces dat nu geleid wordt door de minister en waar de NAM en Shell aan deelnemen.

Indien die schades veel hoger uitvallen en de aansprakelijkheid van de NAM ook is er onvoldoende voorzien. Is er daarmee onvoldoende geld om aan de verplichtingen te voldoen?

Zoals wij zagen bij de winst bedraagt deze in 2016 € 528 miljoen en deze werd als dividend uitgekeerd. Het jaar 2017 is inmiddels afgesloten en daarmee kan een winst zijn gerealiseerd van dezelfde hoogte. Als deze winst nu niet wordt uitgekeerd, maar opzij wordt gezet dan wordt de pot bijna twee keer zo groot. Er is dan ruim een miljard beschikbaar voor de schadeloosstellingen. Of dat voldoende is blijft de vraag. Uitgaande van het huidige niveau kan worden gerekend met een groei van de voorziening van circa € 500 miljoen per jaar. Voor elk miljard extra uit te keren schadevergoeding moet twee jaar worden opgepot.

Echter de productie daalt in 2017 en in 2018 nog meer. Ofschoon de NAM zijn opbrengsten uit verschillende bronnen haalt, wordt het merendeel (77%) door de energiewinning uit Groningen gerealiseerd. Dat het winstniveau daalt mag worden aangenomen. Dit betekent dat het oppotten langer zal duren. De garantie van Shell voor de vergoeding van de geleden schade is dus zeer relevant. In elk geval zolang niet duidelijk is wat de hoogte van de schadevergoedingen is en wellicht daarna als blijkt dat de schade veel hoger is dan nu is aangenomen en het veel tijd vergt om de pot te doen groeien.

De veelkoppigheid van dit vraagstuk en de eensgezindheid van de commissie

Uit de jaarrekening blijkt onder meer dat er veel belangen tegelijkertijd spelen. Belangen die in het maatschappelijk debat naar voren komen blijken ook hier: de winning en de verdiensten van de staat, de onzekerheden van gaswinning en de expertise die daarvoor nodig is, de zekerheid van de energievoorziening in Nederland en daarbuiten en niet in de laatste plaats de belangen van de burgers in Groningen (energie, veiligheid, werkgelegenheid, schadeloosstelling).

Zo veel is wel duidelijk: het beoordelen en controleren van het handelen van de regering in deze kwestie is een grote taak, waarvoor expertise nodig is en veel tijd en aandacht. De analyse hier is nog oppervlakkig en dan hebben we het nog maar over één onderwerp. De Kamercommissie leek in de hoorzitting eensgezind; er ontstond in elk geval geen onderling debat. Die eensgezindheid ontstond op basis van een gebrek aan kennis, een gezamenlijke tegenstander en de dwang van de opinie (al of niet via de media), meer in het bijzonder de Groningse. Naar mijn smaak moet gezien de complexiteit van de zaak er iets onconventioneels gebeuren: de Kamercommissie moet als een eenheid optreden. Die eenheid moet worden gebaseerd op een opvatting over de controleerbaarheid van de regering. Samenwerking dus om deze zaak tot een goed einde te brengen in het belang van alle partijen.

 

Share this post



Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *